ECLI:NL:RBDHA:2018:16198
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening wegens niet betaling leges bij aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige
Verzoeker, een Turkse zelfstandige, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel arbeid als zelfstandige. Verweerder, de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, stuurde verzoeker een brief waarin werd gevraagd om betaling van leges binnen twee weken. Omdat verzoeker niet betaalde, werd hij nogmaals per brief van 31 juli 2018 verzocht de leges te voldoen, met de waarschuwing dat de aanvraag anders niet in behandeling zou worden genomen.
Verzoeker stelde dat zijn gemachtigde de tweede brief niet had ontvangen en dat de aanvraag ten onrechte niet in behandeling was genomen. De voorzieningenrechter stelde vast dat verweerder aannemelijk had gemaakt dat de brief van 31 juli 2018 daadwerkelijk was verzonden naar het juiste adres, onderbouwd met een uitdraai uit het digitale systeem INDIGO en het verzendhuis van de IND.
De rechter oordeelde dat verzoeker de leges niet had betaald en dat verweerder daarom op grond van de Algemene wet bestuursrecht de aanvraag niet in behandeling mocht nemen, mits verzoeker de gelegenheid was geboden het verzuim te herstellen. Dit was het geval. Het bezwaar van verzoeker had geen redelijke kans van slagen en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak stond geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de leges niet zijn betaald en de aanvraag terecht niet in behandeling is genomen.