ECLI:NL:RBDHA:2018:15768
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing mvv-aanvraag moeder op grond van artikel 8 EVRM wegens ontbreken bijzondere afhankelijkheid
Eiseres, een staatloze vrouw geboren in 1955, verzocht via haar meerderjarige zoon om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland op grond van artikel 8 EVRM Pro, met het oog op gezinshereniging. De aanvraag werd door de staatssecretaris afgewezen wegens het ontbreken van een bijzondere afhankelijkheid die de normale emotionele banden tussen ouder en meerderjarig kind overstijgt.
Eiseres voerde aan dat er sprake is van een schending van artikel 8 EVRM Pro, onder verwijzing naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de Gezinsherenigingsrichtlijn 2003/86/EG. Tevens stelde zij dat de hoorplicht was geschonden. De rechtbank oordeelde dat de normale emotionele banden niet waren overstegen, mede gelet op het ontbreken van financiële zorg en onvoldoende bewijs van emotionele afhankelijkheid.
De rechtbank verwierp het beroep op de Gezinsherenigingsrichtlijn omdat eiseres niet tot het kerngezin behoort en Nederland geen uitbreiding van gezinshereniging tot ouders heeft vastgesteld. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde wegens onvoldoende concretisering. De rechtbank vond dat het bezwaar kennelijk ongegrond was en dat de hoorplicht daarom niet was geschonden.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvraag is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van bijzondere afhankelijkheid tussen moeder en zoon.