ECLI:NL:RBDHA:2018:15767
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens ontbreken rechtmatig verblijf referente in Nederland
Eiseres, een Marokkaanse staatsburger, heeft op 4 mei 2017 een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument EU/EER om bij haar Belgische dochter (referente) in Nederland te verblijven. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft deze aanvraag op 14 januari 2018 afgewezen omdat niet is gebleken dat de referente rechtmatig in Nederland woont en langer dan drie maanden verblijft, noch dat eiseres ten laste is van de referente.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing, stellende dat zij wel ten laste is van haar dochter en dat het arrest van het Hof van Justitie van de EU in zaak C-1/05 toepasselijk is. De staatssecretaris heeft het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard. Tijdens de zitting op 6 december 2018 is eiseres verschenen, verweerder niet.
De rechtbank oordeelt dat de afwijzing terecht is omdat niet is aangetoond dat de referente voldoet aan de voorwaarden van rechtmatig verblijf in Nederland op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Omdat deze voorwaarde niet is vervuld, behoeft de vraag of eiseres ten laste is van de referente geen verdere bespreking. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat niet is aangetoond dat de referente rechtmatig en langer dan drie maanden in Nederland verblijft.