ECLI:NL:RBDHA:2018:15766
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning regulier wegens onvoldoende studievoortgang
Eiser, een Iraakse student met een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking 'studie', kreeg zijn vergunning ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 31 augustus 2017 nadat de Haagse Hogeschool meldde dat hij onvoldoende studievoortgang had geboekt.
Eiser voerde aan dat hij ten onrechte niet in bezwaar was gehoord en dat hij inmiddels een aanvraag had ingediend voor een verblijfsvergunning onder de beperking 'verblijf bij partner'. Hij stelde dat verweerder rekening had moeten houden met zijn persoonlijke omstandigheden en intentie om zijn studie voort te zetten.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht van het horen van eiser in bezwaar kon afzien omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Verder was eiser in de gelegenheid gesteld om zienswijzen in te dienen maar heeft dit nagelaten. De intentie van eiser om de studie te hervatten en de aanvraag voor een andere verblijfsvergunning waren onvoldoende om de intrekking van de huidige vergunning te voorkomen.
De rechtbank concludeerde dat verweerder de intrekking terecht heeft uitgevoerd op grond van artikel 19 in Pro samenhang met artikel 18, eerste lid, onder f, van de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning regulier is ongegrond verklaard.