ECLI:NL:RBDHA:2018:15742
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T.J. Sleeswijk Visser
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, een Tunesische nationaliteit dragende asielzoeker, diende op 29 juli 2018 een asielaanvraag in Nederland in. Nederland stelde vast dat Duitsland op 8 juni 2018 al een verzoek om internationale bescherming van eiser had ontvangen en wees de aanvraag daarom af op grond van de Dublinverordening. Eiser betwistte de betrouwbaarheid van zijn verklaringen niet, maar voerde aan dat de Duitse asielprocedure fundamentele tekortkomingen vertoonde, waaronder het ontbreken van een asielgesprek en bescherming tegen bedreigingen door Algerijnen.
De rechtbank overwoog dat Duitsland is aangesloten bij het EVRM en het Vluchtelingenverdrag, en dat verweerder mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser slaagde er niet in om met stukken aan te tonen dat er aan het Duitse systeem gerelateerde tekortkomingen zijn. De rechtbank vond dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat Duitsland de verdragsbeginselen niet naleeft of dat sprake is van indirect refoulement.
Ook het beroep op de humanitaire clausule van artikel 17 Dublinverordening Pro werd verworpen omdat eiser geen bijzondere omstandigheden had aangevoerd. Het standpunt dat het gehoor gebrekkig was, werd eveneens niet gevolgd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag is ongegrond verklaard omdat Duitsland verantwoordelijk is en geen fundamentele tekortkomingen zijn aangetoond.