ECLI:NL:RBDHA:2018:15698
Rechtbank Den Haag
- Wraking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing wrakingsverzoek rechter in verkeerszaken vanwege vermeende vooringenomenheid
Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen de kantonrechter in acht verkeerszaken, stellende dat de aanwezigheid van de vertegenwoordiger van de officier van justitie in de zittingszaal voorafgaand aan de zitting leidde tot een schijn van vooringenomenheid.
De rechtbank onderzocht de feiten, waaronder het feit dat de vertegenwoordiger van het OM al in de zaal was voordat de zaken werden uitgeroepen en dat de deuren gesloten waren. De rechter gaf aan dat dit een gebruikelijke praktijk is binnen de rechtbank Den Haag om de voortgang te bevorderen.
De rechter stelde dat er geen inhoudelijk vooroverleg heeft plaatsgevonden tussen de kantonrechter en de officier van justitie over de verzoeken. Ook werd vastgesteld dat het weigeren van toegang door de bode niet aan de rechter kan worden toegerekend.
Gezien het ontbreken van concrete aanwijzingen voor vooringenomenheid, werd het wrakingsverzoek afgewezen. De behandeling van de hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was ten tijde van het verzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de kantonrechter wordt afgewezen wegens gebrek aan bewijs voor vooringenomenheid.