ECLI:NL:RBDHA:2018:1566
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen overdracht op grond van Dublinverordening ondanks claim mensenhandel
Eiser, een Ugandese nationaliteit, diende op 5 september 2017 een asielaanvraag in in Nederland. Duitsland werd op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk gesteld voor de behandeling van zijn aanvraag, omdat hij daar eerder een visum had ontvangen. Verweerder nam de aanvraag niet in behandeling en besloot tot overdracht aan Duitsland.
Eiser voerde aan dat hij slachtoffer was van mensenhandel en dat hij in Nederland een sociaal netwerk had opgebouwd, waardoor Nederland beter geschikt zou zijn voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Hij stelde dat hij op 29 januari 2018 aangifte zou doen van mensenhandel, wat rechtmatig verblijf zou kunnen rechtvaardigen.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht geen aanleiding zag om de overdracht aan Duitsland te staken. Er was geen aangifte van mensenhandel op het moment van de zitting en geen onderbouwing dat Nederland beter geschikt was dan Duitsland voor het onderzoek. Ook het korte verblijf en het beperkte sociale netwerk in Nederland vormden geen bijzondere omstandigheden om af te wijken van de Dublinverordening.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de overdracht aan Duitsland op grond van de Dublinverordening is ongegrond verklaard.