Eiser, een Eritrese nationaliteit, verzocht asiel in Nederland nadat hij eerder internationale bescherming kreeg toegekend in Bulgarije. Verweerder verklaarde de asielaanvraag niet-ontvankelijk op grond van artikel 30a Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser in Bulgarije internationale bescherming geniet en daar wordt toegelaten.
Eiser betoogde dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of hij daadwerkelijk in Bulgarije bescherming geniet en verwees naar prejudiciële vragen van het Duitse Bundesverwaltungsgericht aan het Hof van Justitie van de EU, waarin ernstige tekortkomingen in het Bulgaarse asielsysteem worden vastgesteld. Eiser gaf aan dat hij in Bulgarije geen toegang had tot basale voorzieningen en dat zijn rechten als statushouder niet effectief konden worden uitgeoefend.
De rechtbank oordeelde dat verweerder mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, maar dat de motivering onvoldoende was gelet op de verwijzingsuitspraak en de prejudiciële vragen. De rechtbank stelde dat de situatie in Bulgarije ernstige twijfels oproept over de effectiviteit van de bescherming en dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen omdat bij deze uitspraak op het beroep werd beslist. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser.