ECLI:NL:RBDHA:2018:15430
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bewaring Dublinclaimant onrechtmatig wegens achteraf horen zonder voorafgaand gehoor
Eiser, een Afghaanse Dublinclaimant, werd op 19 april 2018 in bewaring gesteld door verweerder zonder voorafgaand gehoor, maar achteraf gehoord. Eiser stelde dat dit in strijd is met het verdedigingsbeginsel en de motiveringsplicht, verwijzend naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS).
Verweerder verdedigde de werkwijze dat Dublinclaimanten achteraf worden gehoord omdat er op het AZC geen ruimte is om hen vooraf te horen en omdat zij niet mogen worden tegengehouden. De rechtbank constateerde dat er twee lijnen in de rechtspraak bestaan over dit onderwerp, maar volgde de lijn dat Dublinclaimanten vooraf moeten worden gehoord tenzij sprake is van een uitzonderingssituatie.
De rechtbank stelde vast dat verweerder niet had onderzocht of eiser vrijwillig wilde meewerken aan het gehoor en dat het achteraf horen zonder voorafgaand onderzoek een ernstig gebrek is. Er was onvoldoende onderbouwing voor een uitzonderingssituatie die het voorafgaand gehoor zou kunnen rechtvaardigen.
Daarom werd het beroep gegrond verklaard, de maatregel van bewaring met ingang van 1 mei 2018 opgeheven, en een schadevergoeding van €960 toegekend voor de onrechtmatige bewaring. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten van €1.002.
Uitkomst: De maatregel van bewaring wordt opgeheven wegens onrechtmatig achteraf horen en een schadevergoeding van €960 wordt toegekend.