Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
- de dagvaarding van 20 oktober 2017 met producties;
- de conclusie van antwoord met producties;
- het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van comparitie van 10 oktober 2018.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een zelfstandig ondernemer, werd eind juni 2012 ziek met Q-koorts en leed later aan het Q-koortsvermoeidheidssyndroom. Hij stelde de Staat aansprakelijk wegens het niet of onvoldoende informeren over de gevaren van Q-koorts en het te lang uitblijven van adequate maatregelen in de periode 2005-2009.
De Staat voerde verweer en betwistte het causaal verband tussen het handelen van de Staat in genoemde periode en de besmetting van eiser. De rechtbank overwoog dat gezien de incubatietijd van Q-koorts de besmetting van eiser op zijn vroegst begin mei 2012 heeft plaatsgevonden, ruim na de periode waarop de verwijten zien.
Eisers stellingen over eerdere besmetting en klachten werden onvoldoende concreet onderbouwd. Er was geen aanleiding voor een deskundigenonderzoek. Het ontbreken van causaal verband leidde tot afwijzing van de vorderingen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten van de Staat.
Uitkomst: Vordering van eiser tegen de Staat wegens Q-koorts aansprakelijkheid wordt afgewezen wegens ontbreken van causaal verband.