ECLI:NL:RBDHA:2018:14914

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2018
Publicatiedatum
17 december 2018
Zaaknummer
NL18.21109
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 VwVerdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenRichtlijn 2013/33/EURichtlijn 2011/95/EURichtlijn 2013/32/EU
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. Dit besluit is gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Denemarken primair verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag volgens de Dublinverordening.

De rechtbank overweegt dat Denemarken deze verantwoordelijkheid heeft aanvaard en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Denemarken het Vluchtelingenverdrag, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) of Europese richtlijnen niet naleeft. Ook zijn medische klachten zijn onvoldoende onderbouwd om te concluderen dat overdracht naar Denemarken onaanvaardbaar is. De medische voorzieningen in Denemarken worden als vergelijkbaar met die in Nederland beschouwd.

Verder is niet gebleken dat eiser in Denemarken geen adequate hulp kan krijgen bij medische problemen. De rechtbank stelt dat de door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat toepassing van de humanitaire clausule gerechtvaardigd is. Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het af.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.21109
v-nummer: [nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. drs. E.R. Weegenaar),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. van Hoof).

ProcesverloopBij besluit van 9 november 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw, omdat Denenmarken verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.21110, plaatsgevonden op 12 december 2018 te Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk ter zitting uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Denenmarken primair verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Denenmarken heeft deze verantwoordelijkheid ook aanvaard.
2. Eiser heeft niet met documenten aangetoond of anderszins aannemelijk gemaakt dat er concrete aanwijzingen zijn dat Denenmarken het Vluchtelingenverdrag, het EVRM [2] en de Europese richtlijnen voor asielzoekers [3] niet naleeft, en dat daarom ten aanzien van Denenmarken niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
3. De door eiser gestelde medische klachten geven geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder de asielaanvraag ten onrechte niet aan zich heeft getrokken. Eiser heeft niet eens onderbouwd dat hij momenteel medische klachten heeft waarvoor hij moet worden behandeld. Verweerder mag er bovendien van uitgaan dat de medische voorzieningen in Denenmarken vergelijkbaar zijn met die in Nederland. Eiser heeft niet met medische stukken onderbouwd dat zijn medische situatie aanzienlijk en onomkeerbaar zal verslechteren door de overdracht zelf.
4. Verweerder werpt eiser niet ten onrechte tegen dat hij zich bij voorkomende problemen in Denemarken kan wenden tot de daartoe aangewezen (hogere) Deense autoriteiten dan wel geëigende instanties, en dat niet is gebleken dat deze hem niet zouden kunnen of willen helpen. Eisers enkele stelling dat klagen in Denemarken over het ontbreken van medische zorg eerder niet leidde tot verbetering, slaagt niet. Eiser heeft ook deze stelling niet onderbouwd.
5. Met betrekking tot eisers beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening [4] overweegt de rechtbank dat aan verweerder beoordelings- en beleidsruimte toekomt bij de vraag of sprake is van zodanig bijzondere feiten en omstandigheden dat overdracht van kennelijke hardheid getuigt. De door eiser aangevoerde feiten en omstandigheden zijn niet zodanig bijzonder dat aanleiding bestaat voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van toepassing van de humanitaire clausule.
6. De conclusie is dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.I.P. Buteijn, griffier, op 12 december 2018.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Richtlijn 2013/33/EU, Richtlijn 2011/95/EU en Richtlijn 2013/32/EU.
4.Verordening 604/2013/EU.