Eiseres kreeg een bestuurlijke boete van €1.309,27 opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht op grond van de Participatiewet. Na bezwaar verklaarde verweerder dit ongegrond, waarna eiseres beroep instelde bij de rechtbank Den Haag.
De rechtbank stelde in een tussenuitspraak vast dat de inlichtingenplicht was geschonden, maar dat het benadelingsbedrag niet was aangetoond. Hierdoor was het besluit niet zorgvuldig en niet deugdelijk gemotiveerd. Verweerder kreeg de gelegenheid dit gebrek te herstellen, maar maakte hier geen gebruik van.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en beval verweerder binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiseres. De rechtbank zag geen aanleiding tot toepassing van een tweede bestuurlijke lus of zelf in de zaak te voorzien.