ECLI:NL:RBDHA:2018:14438
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij tweede opvolgende asielaanvraag wegens kennelijke ongegrondheid
Verzoeker, een volledig blinde en kwetsbare asielzoeker, had een tweede opvolgende asielaanvraag ingediend die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening omdat zijn opvangvoorzieningen waren beëindigd.
De voorzieningenrechter overwoog dat het indienen van een beroepschrift niet leidt tot opschorting van de rechtsgevolgen van het bestreden besluit en dat op grond van de toepasselijke EU-richtlijn bij een tweede opvolgende aanvraag geen verplichting bestaat om opvang te verlenen tijdens de beroepsprocedure. Verzoeker had onvoldoende onderbouwd waarom de voorlopige voorziening moest worden toegewezen.
Daarom werd het verzoek afgewezen, waarbij het belang van de staatssecretaris om het besluit onverkort te handhaven zwaarder woog dan het belang van verzoeker om in Nederland te blijven met behoud van opvang. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de afwijzing van de tweede opvolgende asielaanvraag is afgewezen.