ECLI:NL:RBDHA:2018:14414
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens te late indiening beroepsgronden in Dublin-zaak
Eiser, een Algerijnse asielzoeker, diende op 17 augustus 2018 een aanvraag verblijfsvergunning asiel in Nederland in. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling omdat België op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser stelde bezwaar tegen dit besluit en startte een beroepsprocedure.
De rechtbank hield op 22 november 2018 een zitting waarbij eiser en zijn gemachtigde niet verschenen. Het beroepschrift bevatte niet de gronden van het beroep, ondanks een verzoek van de rechtbank om dit binnen een gestelde termijn te herstellen. De gronden werden pas na deze termijn ingediend, zonder dat een reden voor de te late indiening werd gegeven.
De rechtbank overwoog dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard bij het ontbreken van de gronden, tenzij sprake is van verschoonbaarheid. De enkele stellingen van eiser vormden geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het te laat indienen van de beroepsgronden zonder verschoonbare reden.