ECLI:NL:RBDHA:2018:14140
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs afpersing ondanks tegenstrijdige verklaringen
De rechtbank Den Haag behandelde de zaak van verdachte die werd beschuldigd van afpersing van aangeefster door bedreiging met geweld tussen september 2014 en februari 2015. De tenlastelegging omvatte meerdere bedreigingen, pogingen tot geweld en het eisen van geldbedragen. De verdediging voerde onder meer aan dat de dagvaarding nietig was en dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard, wat door de rechtbank werd verworpen.
Tijdens het bewijsonderzoek bleek dat de verklaringen van aangeefster en getuigen op essentiële punten niet overeenkwamen. Zo waren er tegenstrijdigheden over het aantal mannen aan de deur, de inhoud van bedreigingen en gedragingen binnen het gezin. De politie had nagelaten nader onderzoek te verrichten naar deze tegenstrijdigheden en de verhoren waren niet in vraag-antwoordvorm opgesteld, noch auditief vastgelegd, waardoor de rechtbank onvoldoende zicht had op de feitelijke gang van zaken.
Gezien het gebrek aan consistent en overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van de ten laste gelegde afpersingsfeiten. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard, aangezien de verdachte werd vrijgesproken. De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij in de kosten die de verdachte tot dan toe had gemaakt voor zijn verdediging, begroot op nihil.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van afpersing.