ECLI:NL:RBDHA:2018:14013
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting naar Soedan wegens ontbreken nieuwe feiten
Verzoeker, een Soedanese asielzoeker, diende een opvolgende asielaanvraag in nadat hem was meegedeeld dat hij op 13 november 2018 zou worden uitgezet naar Soedan. Verzoeker stelde dat hij afkomstig is uit Darfur en overhandigde een brief van de Darfur Vereniging als nieuw bewijs. Verweerder oordeelde dat deze brief geen nieuw element (novum) vormt en dat de uitzetting niet wordt opgeschort.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de brief niet als novum kan worden aangemerkt omdat deze niet eerder was ingediend, niet objectief is en niet vertaald. Ook is de samenwerkingsverplichting niet geschonden door het niet uitvoeren van een taalanalyse. De vreemdelingenbewaring valt buiten deze procedure.
Verzoeker beroept zich op het arrest Gnandi en artikel 3 EVRM Pro, stellende dat uitzetting leidt tot schending van mensenrechten. De voorzieningenrechter acht dit beroep niet van toepassing en oordeelt dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom de uitzetting niet in strijd is met artikel 3 EVRM Pro. De verzoeken om voorlopige voorziening worden afgewezen.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening tegen de uitzetting naar Soedan af wegens het ontbreken van nieuwe feiten die de uitzetting kunnen tegenhouden.