ECLI:NL:RBDHA:2018:13989
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vermindering aanslag IB/PVV 2014 wegens onvoldoende aangifte en omkering bewijslast
Eiser, bestuurder van een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde vennootschap, had voor 2014 een aangifte inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) gedaan met een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €785. Verweerder stelde een hogere rendementsgrondslag vast en legde een aanslag op van €96.244 aan belastbaar inkomen uit sparen en beleggen, inclusief belastingrente. Eiser stelde dat hij ten onrechte niet was gehoord en dat de bewijslast onterecht was omgekeerd en verzwaard. Tevens voerde hij aan dat de vordering op de vennootschap moest worden afgewaardeerd en dat rekening moest worden gehouden met een schuld aan een eigen B.V.
De rechtbank oordeelde dat verweerder ten onrechte geen gehoor aan eiser had gegeven, waardoor het beroep deels gegrond was. Verder concludeerde de rechtbank dat eiser niet de vereiste aangifte had gedaan, waardoor de bewijslast terecht was omgekeerd en verzwaard. De rechtbank vond de schatting van verweerder redelijk, maar paste deze aan door rekening te houden met een schuld van €347.240 aan een eigen B.V., waardoor het vermogen werd verlaagd tot €1.715.677. Dit leidde tot een vermindering van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen tot €67.781.
De rechtbank wees de klachten over de Wet bescherming persoonsgegevens en de Wet openbaarheid van bestuur af als niet-ontvankelijk, omdat deze niet binnen het geschil vielen. De belastingrente werd overeenkomstig de aanslag verminderd. Er was geen sprake van schending van het una via-beginsel omdat geen boete was opgelegd. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €1.415 inclusief een vergoeding voor verletkosten. De uitspraak werd in het openbaar uitgesproken op 20 november 2018.
Uitkomst: De aanslag IB/PVV 2014 en belastingrente worden verminderd en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.