ECLI:NL:RBDHA:2018:1388

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2018
Publicatiedatum
10 februari 2018
Zaaknummer
NL18.138
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Art. 18 Verordening 604/2013Art. 17 Verordening 604/2013
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Italië

Eiser, van Ivoriaanse nationaliteit, diende op 8 oktober 2017 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, lid 1, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat Italië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. Het verzoek tot terugname door Italië werd geaccepteerd op 31 oktober 2017.

Eiser voerde aan dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer zou gelden vanwege tekortkomingen in de opvang van asielzoekers in Italië. De rechtbank oordeelt dat, ondanks problemen in Italië, deze situatie niet vergelijkbaar is met de problematiek in Griekenland zoals in eerdere jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. De rechtbank volgt hiermee ook de lijn van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Eiser heeft geen concrete aanwijzingen geleverd voor systematische tekortkomingen in Italië en zijn persoonlijke relaas toont dat hij opvang ontving en zelf vertrok. Er zijn geen bijzondere individuele omstandigheden die overdracht aan Italië onredelijk maken. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.138
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 22 januari 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. H.W.F. Klarenaar),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 3 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (NL18.138) en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen ter voorkoming van overdracht hangende het beroep (NL18.139).
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.139, plaatsgevonden op 18 januari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook was aanwezig E.M. Spruit, tolk.

Overwegingen

1. Eiser is van Ivoriaanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Op 8 oktober 2017 heeft hij een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder deze aanvraag op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, niet in behandeling genomen. Daaraan is ten grondslag gelegd dat Italië daarvoor verantwoordelijk is. Verweerder heeft de Italiaanse autoriteiten verzocht eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening 604/2013 (de Dublinverordening). De Italiaanse autoriteiten hebben dit verzoek geaccepteerd op 31 oktober 2017.
3. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Niet in geschil is dat Italië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In geschil is of verweerder ten aanzien van Italië nog mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
5. De rechtbank stelt voorop dat uit bestendige jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat hoewel er problemen zijn in de opvang van asielzoekers in Italië, de situatie niet vergelijkbaar is met die in Griekenland ten tijde van het arrest M.S.S. tegen België en Griekenland (onder meer het arrest M.O.S.H. tegen Nederland, nr. 63469/09) zodat ondanks bedoelde problemen verweerder nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt deze lijn (zie de door verweerder aangehaalde uitspraak van 10 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2278, en meer recent de uitspraak van 30 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1454). De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen.
6. Eiser heeft niet met concrete aanwijzingen aannemelijk gemaakt dat er in Italië op dit vlak sprake is van systematische tekortkomingen. Verweerder heeft zijn standpunt, met verwijzing naar relevante jurisprudentie, voldoende gemotiveerd en ook terecht erop gewezen dat eiser over de gestelde bedreigingen in de opvang had kunnen klagen bij de (hogere) Italiaanse autoriteiten. Uit eisers persoonlijke relaas komt naar voren dat hij opvang kreeg en zelf gekozen heeft deze te verlaten omdat andere personen ook vertrokken. Eisers persoonlijk relaas biedt geen indicaties voor het oordeel dat de Italiaanse asielprocedure niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet.
7. De rechtbank is tot slot niet gebleken van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht van eiser aan Italië van een onevenredige hardheid getuigt. Daarom zijn er geen feiten of omstandigheden die maken dat Nederland de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich moet trekken.
8. Het beroep is ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2018.
griffier
rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.