ECLI:NL:RBDHA:2018:13856
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onbetrouwbaarheid verklaringen in oude zedenzaak
De rechtbank Den Haag behandelde een zedenzaak waarin verdachte werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met twee minderjarige slachtoffers in de periode 2000-2001. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 48 maanden, deels voorwaardelijk, gebaseerd op verklaringen van de slachtoffers, getuigen en medisch bewijs.
De verdediging voerde aan dat de verklaringen van de aangeefsters en getuigen onbetrouwbaar en tegenstrijdig zijn, mede door invloed van therapie en onderling overleg. Deskundigen werden benoemd om de betrouwbaarheid van de verklaringen te beoordelen. Het rapport van Wolters werd door de rechtbank verworpen vanwege onvolledigheid, terwijl het rapport van Rassin, dat het volledige dossier en opnamen omvatte, werd gevolgd.
Rassin concludeerde dat therapie en onderlinge beïnvloeding de betrouwbaarheid van de verklaringen ernstig onder druk zetten, met risico op pseudoherinneringen. Gezien de lange tijd sinds de feiten, de inconsistenties in verklaringen en het ontbreken van ander overtuigend bewijs, oordeelde de rechtbank dat de verklaringen te gebrekkig waren om als bewijs te dienen.
De rechtbank sprak verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten en verklaarde de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in hun vorderingen tot schadevergoeding.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende betrouwbaar bewijs en uitsluiting van verklaringen van aangeefsters.