ECLI:NL:RBDHA:2018:13829
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wegens verbroken gezinsband
Verzoeker, met de Tunesische nationaliteit, kreeg op 4 september 2017 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als gezinslid van zijn echtgenote. Verweerder trok deze vergunning met terugwerkende kracht in per 5 maart 2018, omdat de feitelijke gezinsband was verbroken en zij niet langer samenwoonden.
Verzoeker maakte bezwaar en stelde beroep in tegen de intrekking. Hij voerde aan dat hij al bijna zes jaar in Nederland verbleef, waarvan vijf jaar met zijn partner, en dat de vergunning niet zomaar mocht worden ingetrokken vanwege het zorgvuldigheids- en rechtszekerheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was omdat niet meer werd voldaan aan de voorwaarde van verblijf als gezinslid. De beroepsgronden waren een herhaling van het bezwaar en onvoldoende gemotiveerd. Nader onderzoek kon niet bijdragen aan de beoordeling, zodat het beroep ongegrond werd verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.