Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Beschikking van de kantonrechter op het verzoek van:
[verzoeker 1]
[verzoeker 2] ,
Overwegingen
[erflater] ,
[erflater]te verwerpen. 1 1 1
Rechtbank Den Haag
Op 2 augustus 2018 is een verzoekschrift ingediend door de wettelijk vertegenwoordigers van een minderjarige, met het doel een machtiging te verkrijgen om namens de minderjarige de nalatenschap van de overleden erflater te verwerpen.
De minderjarige heeft zijn gewone verblijfplaats niet in Nederland, waardoor de Nederlandse rechter volgens artikel 5 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in beginsel niet bevoegd is. De kantonrechter heeft onderzocht of sprake is van een uitzonderlijk geval dat rechtsmacht zou kunnen rechtvaardigen, maar heeft dit niet kunnen vaststellen.
De kantonrechter overweegt dat het enkele feit dat de minderjarige de Nederlandse nationaliteit bezit of dat de nalatenschap in Nederland wordt afgewikkeld, onvoldoende is om de Nederlandse rechtsmacht aan te nemen. Ook het feit dat het vanuit Indonesië lastig is om de nalatenschap te verwerpen, leidt niet tot bevoegdheid van de Nederlandse rechter.
De kantonrechter wijst erop dat de beoordeling van een machtiging tot verwerping van de nalatenschap ten behoeve van minderjarigen primair aan de Indonesische rechter toekomt, tenzij deze rechter zich daar niet over uitspreekt. Daarom verklaart de kantonrechter zich onbevoegd om op het verzoek te beslissen.
Uitkomst: De kantonrechter verklaart zich onbevoegd om te beslissen over het verzoek om machtiging tot verwerping van de nalatenschap namens de minderjarige.