ECLI:NL:RBDHA:2018:13795

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 november 2018
Publicatiedatum
21 november 2018
Zaaknummer
NL18.19072
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 30b lid 1 onder b Vreemdelingenwet 2000Art. 29 lid 1 aanhef en onder a en b Vreemdelingenwet 2000Artikel 3 EVRMVluchtelingenverdrag
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens veilig land van herkomst Marokko

Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende jongvolwassene, heeft een asielaanvraag ingediend met het argument dat hij in Marokko geen veilig bestaan had vanwege sociale en economische omstandigheden. Hij stelde dat hij sinds zijn twaalfde op straat leeft en geen toegang had tot sociale grondrechten zoals werk, huisvesting en onderwijs. Daarnaast voerde hij aan dat hij geen hulp van Marokkaanse autoriteiten kan verwachten en dat het opgelegde inreisverbod onevenredig zwaar is.

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af op grond van de Vreemdelingenwet 2000, met de motivering dat Marokko een veilig land van herkomst is en dat de aangevoerde omstandigheden een economisch motief betreffen dat geen grond biedt voor internationale bescherming. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Marokko een behandeling zal ondergaan in strijd met het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 EVRM Pro.

De rechtbank verwees naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die stelt dat een algemeen rechtsvermoeden bestaat dat vreemdelingen uit een veilig land van herkomst geen internationale bescherming behoeven, tenzij zij hun specifieke onveiligheid aannemelijk maken. Dit is volgens de rechtbank niet gelukt.

Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard en het inreisverbod werd gehandhaafd. De rechtbank zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL18.19072

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S.R. Kwee),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. E. Bicer).

ProcesverloopBij besluit van 15 oktober 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000, gelezen in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Voorts heeft verweerder bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk dient te verlaten en heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.
Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.19073, plaatsgevonden op 1 november 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1997 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 1 oktober 2018 een asielaanvraag ingediend.
2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat hij in Marokko een zwaar leven had en dat hij in Nederland een nieuwe start wil maken. Eiser wil hier graag naar school en werken.
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder het volgende relevante element:
- de gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat, voor zover eiser gevolgd dient te worden in zijn gestelde Marokkaanse herkomst, Marokko een veilig land van herkomst is. Verweerder heeft eisers redenen voor zijn asielaanvraag niet aangemerkt als relevant element omdat het gaat om een economisch motief en dit geen raakvlakken heeft met de gronden van het Vluchtelingenverdrag of met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat Marokko ten aanzien van hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt. Eiser is daarin volgens verweerder niet geslaagd. Ook heeft eiser volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij bij problemen in Marokko geen hulp van de autoriteiten van Marokko in kan roepen.
4. Eiser stelt zich op het standpunt hij wel aannemelijk heeft gemaakt dat Marokko voor hem geen veilig land is. Eiser voert daartoe aan dat hij in Marokko geen sociale grondrechten had en dat hij geen mogelijkheid had tot werken, huisvesting of onderwijs. Eiser is op zijn twaalfde door zijn familie op straat gezet en is sinds die tijd op zichzelf aangewezen. Eiser heeft sindsdien een zwervend en armoedig bestaan geleid. Hij heeft tevergeefs geprobeerd in Algerije een bestaan op te bouwen. Eiser kan geen hulp inroepen van de (hogere) instanties in Marokko. Eiser loopt bij terugkeer naar Marokko derhalve een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Ook acht eiser het inreisverbod onevenredig zwaar.
5. De rechtbank overweegt het volgende.
5.1
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft eerder overwogen dat de aanwijzing van een veilig land van herkomst betekent dat een algemeen rechtsvermoeden bestaat dat vreemdelingen uit dat land geen internationale bescherming nodig hebben. Het is vervolgens aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat het desbetreffende land in zijn specifieke omstandigheden toch niet veilig is (zie de uitspraak van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2474).
5.2
Verweerder heeft terecht geconstateerd dat hetgeen eiser heeft aangevoerd, te weten dat hij in Marokko op twaalfjarige leeftijd door zijn familie op straat is gezet, waarna hij lange tijd op straat heeft geleefd onder zware omstandigheden, een economisch motief betreft en dat eiser daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat Marokko voor hem geen veilig land is. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser in Marokko op de markt en in de bouw heeft gewerkt. Verder heeft eiser verklaard nimmer problemen te hebben gehad met de Marokkaanse autoriteiten. Verweerder heeft voorts terecht aan eiser tegengeworpen dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de hulp van de Marokkaanse autoriteiten niet zou kunnen inroepen of dat zij hem deze hulp niet zouden willen bieden.
Verweerder heeft zich gelet op het voorgaande deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Marokko voor hem niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd en dat hij bij terugkeer zal worden onderworpen aan een behandeling in strijd met het Vluchtelingenverdrag of met artikel 3 van Pro het EVRM.
5.3
Eisers beroepsgrond dat het inreisverbod onevenredig zwaar te achten is, kan niet slagen nu eiser deze stelling niet nader heeft onderbouwd.
6. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.