ECLI:NL:RBDHA:2018:13614
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verzoek om voorlopige voorziening tegen intrekking verblijfsvergunning afgewezen
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd om uitzetting te voorkomen zolang het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning in behandeling is. Het primaire besluit van 28 november 2017 betrof de afwijzing van de aanvraag voor verlenging van een humanitaire verblijfsvergunning en intrekking van verblijfsvergunningen onder tijdelijke humanitaire gronden en als familie- of gezinslid, met een terugkeerbesluit en vertrektermijn van 28 dagen.
Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 28 februari 2018 ongegrond verklaard. Verzoeker heeft vervolgens beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd om de uitzetting uit te stellen. De rechtbank heeft echter het beroep in een gerelateerde zaak (AWB 18/1775) ongegrond verklaard, waardoor niet langer wordt voldaan aan het connexiteitsvereiste zoals bedoeld in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er worden geen proceskosten toegekend. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter M.J.L. van der Waals op 9 november 2018 en is niet vatbaar voor hoger beroep.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van het connexiteitsvereiste.