Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
ProcesverloopEiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 september 2018 (het bestreden besluit).
Overwegingen
In 2007 werd eiser bij verstek veroordeeld voor het plegen van een roofoverval. Eiser heeft geen overval gepleegd en stelt dat hij vanwege zijn politieke activiteiten ten onrechte is veroordeeld. Hij heeft van 6 juli 2008 tot 12 september 2014 gedetineerd gezeten en is tijdens deze detentie ernstig mishandeld en verkracht. Na zijn vrijlating wilde eiser zijn onterechte veroordeling aanvechten bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Hij heeft zijn strafdossier opgevraagd en dat bij zijn advocaat gebracht. Verder wist hij dat de moeder van zijn toenmalige medeverdachte in het bezit was van materiaal waarmee eiser zijn onschuld kon bewijzen. Nadat hij dit materiaal had opgehaald, werd hij opgewacht door vier mannen die hem in een auto hebben gezet en hebben meegenomen naar een begraafplaats. Daar werd het bewijsmateriaal van eiser afgenomen en werd hij zwaar mishandeld. De mannen hebben eiser vervolgens voor dood achtergelaten op de begraafplaats. Eiser werd daar aangetroffen door een voorbijganger en is naar het ziekenhuis gebracht. Na zijn ontslag uit het ziekenhuis heeft eiser ondergedoken gezeten tot zijn vertrek naar Nederland op 14 oktober 2015. Bij terugkeer vreest eiser door de Georgische autoriteiten gedood te worden, omdat zij niet willen dat hij zijn onterechte veroordeling aanvecht bij het EHRM.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het voornemen uitgebreid heeft toegelicht waarom er tijdens het aanvullend gehoor van 7 juni 2018 gebruik is gemaakt van een niet-registertolk. Daarmee heeft verweerder voldaan aan voornoemde motiveringsplicht en eiser heeft daar geen inhoudelijke beroepsgronden tegen gericht. Bovendien is ook in dit verband niet gebleken dat eiser in zijn belangen is geschaad omdat, zoals hiervoor is overwogen, verweerder eisers verklaringen geloofwaardig heeft geacht.
- voor zover hier van belang - het volgende overwogen:
16. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deze gebeurtenis(lees: de mishandeling op de begraafplaats)
als relevant element bij de beoordeling van de asielaanvraag had moeten betrekken. Eiser heeft immers verklaard tijdens het nader gehoor dat deze gebeurtenis de aanleiding was om zijn land van herkomst te verlaten. Verweerder heeft deze gebeurtenis in het bestreden besluit ten onrechte niet als relevant element aangemerkt en beoordeeld. Dit is eveneens relevant nu verweerder wel overweegt dat indien eiser meent dat hij ten onrechte is veroordeeld, hij een procedure had kunnen aanspannen bij het EHRM en deze gebeurtenis nu juist verband houdt met de verzameling van bewijs voor die procedure. Ook dit is een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Deze beroepsgrond slaagt ook.17. Gelet op wat hiervoor is overwogen kan verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nadere motivering op het standpunt stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er, indien er zich problemen voordoen in Georgië, voor hem geen mogelijkheid bestaat om tegen deze problemen in de huidige situatie de bescherming van de autoriteiten in te roepen. Verweerder zal wat eiser heeft aangevoerd over zijn specifieke individuele omstandigheden immers moeten onderzoeken en verweerder zal moeten motiveren of dit er al dan niet toe leidt dat Georgië voor eiser niet veilig is.
Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat Georgië in zijn geval niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Daartoe heeft verweerder allereerst overwogen dat niet is gebleken dat eiser vanwege zijn oppositionele activiteiten in 2005 - 2007 nog te vrezen heeft voor vervolging door de Georgische autoriteiten. Met betrekking tot de mishandeling en bedreiging door de politie na zijn vrijlating, stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser onvoldoende inspanningen heeft verricht om de bescherming van de autoriteiten in te roepen. Eiser heeft geen aangifte gedaan en heeft verklaard dat hij geen heil zag in het inroepen van de bescherming van andere of hogere autoriteiten. Verweerder acht daarbij van belang dat eiser een advocaat had en na de mishandeling nog ruim een jaar in Georgië is gebleven. Hij had zijn problemen met zijn advocaat kunnen bespreken en waar nodig actie kunnen ondernemen tegen de politie. Verder is niet gebleken dat eiser problemen ondervond van andere autoriteiten dan de politie, zodat in redelijkheid niet valt in te zien dat eiser zich tot geen enkele instantie in zijn land van herkomst zou kunnen wenden om zijn beklag te doen. Eiser heeft daarom niet aannemelijk gemaakt dat het inroepen van bescherming voor hem niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is.
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,- (duizendtwee euro).
mr. A.A. Dijk, griffier.