ECLI:NL:RBDHA:2018:13234

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2018
Publicatiedatum
7 november 2018
Zaaknummer
AWB 18/2687
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • B.F.Th. de Roos
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArtikel 1F Vluchtelingenverdrag
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening opheffing inreisverbod Iraanse

Verzoeker, een Iraanse met een verleden van asielvergunning en intrekking daarvan wegens toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag, heeft een inreisverbod opgelegd gekregen voor tien jaar. Na een verzoek tot opheffing en bezwaar, waarbij het bezwaar gegrond werd verklaard maar het inreisverbod gehandhaafd, heeft verzoeker een voorlopige voorziening gevraagd om in Nederland te mogen blijven tot de behandeling van het beroep.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het verzoek ontvankelijk is en dat de bestuursrechter bevoegd is. Verzoeker voert aan dat hij door een bevel van de vreemdelingenpolitie om zich naar Italië te begeven, de zitting in december mogelijk niet kan bijwonen. Dit bevel dateert echter van een maand eerder en er zijn geen uitzettingshandelingen aangekondigd.

Daarom is geen sprake van onverwijlde spoed en is het verzoek kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en legt geen proceskostenveroordeling op. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot opheffing van het inreisverbod wordt afgewezen wegens ontbreken van onverwijlde spoed.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/2687
uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[naam] , verzoeker
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),
en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. A. Peeters).

Procesverloop

Bij besluit van 16 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker tegen het besluit tot ongewenstverklaring gegrond verklaard en diens verzoek om opheffing van zijn inreisverbod alsnog afgewezen.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij de behandeling van het beroep in Nederland mag afwachten.
Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht om met spoed op het verzoek om een voorlopige voorziening te beslissen.
Op verzoek van de voorzieningenrechter heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter doet met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Verzoeker is geboren op [geboortedatum] en bezit de Iraanse nationaliteit. Hij is in het verleden in het bezit geweest van een asielvergunning. Bij besluit van 18 augustus 2003 is deze vergunning ingetrokken. Vervolgens is vastgesteld dat op verzoeker artikel 1F van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen van toepassing is. Bij besluit van 7 maart 2013 is aan verzoeker een inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.
2. Verzoeker heeft een verzoek ingediend om opheffing van zijn inreisverbod. Bij besluit van 4 december 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder dit verzoek ingewilligd en is verzoeker ongewenst verklaard.
3. Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van verzoeker gegrond verklaard, is afgezien van de ongewenstverklaring en is alsnog bepaald dat verzoekers inreisverbod niet zal worden opgeheven.
4. Bij het bestreden besluit is verzoeker aangezegd dat hij Nederland meteen moet verlaten. Vervolgens is verzoeker door de vreemdelingenpolitie (AVIM) bevolen om onmiddellijk terug te keren naar het grondgebied van Italië. Verzoeker is aldaar in het bezit van een humanitaire verblijfsvergunning.
5. Op wat verzoeker daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
6. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
7. De voorzieningenrechter stelt vast dat de bestuursrechter van deze rechtbank bevoegd is om te beslissen op het beroep tegen het bestreden besluit en dat het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening daarop betrekking heeft. Het verzoek is dan ook ontvankelijk. Vervolgens moet de voorzieningenrechter beoordelen of sprake is van onverwijlde spoed.
8. Verzoeker stelt in zijn aanvullend verzoekschrift dat aan hem door de AVIM een bevel is uitgevaardigd om zich onmiddellijk naar Italië te begeven en dat de mogelijkheid om de zitting van de rechtbank over het bestreden besluit op 18 december 2018 aanstaande bij te wonen daardoor in gevaar komt. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat het bevel dat verzoeker bij het aanvullend verzoekschrift heeft gevoegd al dateert van 11 oktober 2018. Verweerder heeft meegedeeld dat uit dit bevel slechts de zelfstandige vertrekverplichting van verzoeker blijkt en dat geen sprake is van enig voornemen om ten aanzien van verzoeker uitzettingshandelingen te verrichten. De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat op dit moment geen sprake is van een spoedeisend belang.
9. Het verzoek is kennelijk ongegrond.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2018.
griffier
voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.