Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 oktober 2018 in de zaak tussen
Procesverloop
Overwegingen
De rechtbank oordeelt als volgt.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Marokkaanse nationaliteit dragende persoon, verzocht op 10 oktober 2017 om een visum voor kort verblijf in Nederland om zijn echtgenote te bezoeken. Dit verzoek werd door de Minister van Buitenlandse Zaken afgewezen wegens onvoldoende aangetoonde middelen van bestaan en twijfel over het voornemen tot tijdige terugkeer naar Marokko.
De rechtbank oordeelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt over voldoende financiële middelen te beschikken, mede doordat de herkomst van grote bedragen op zijn bankrekening niet kon worden vastgesteld. Tevens is de garantstelling door referente, zijn echtgenote, onvoldoende omdat haar inkomsten niet duurzaam zijn en zij een uitkering ontvangt.
Daarnaast is vastgesteld dat eiser slechts een geringe sociale en economische binding met Marokko heeft, waardoor de terugkeer niet gewaarborgd is. De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt dat referente als belanghebbende in de procedure kan optreden. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag is ongegrond verklaard vanwege onvoldoende middelen van bestaan en geringe binding met het land van herkomst.