ECLI:NL:RBDHA:2018:12697
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Veroordeling moeder tot nakoming zorgregeling na opschorting contact vader met minderjarige
De rechtbank Den Haag behandelde een kort geding waarin de vader vorderde dat de moeder de in het ouderschapsplan opgenomen zorgregeling naleeft. Na de echtscheiding oefenden beide ouders gezamenlijk gezag uit over hun minderjarige zoon, waarbij de hoofdverblijfplaats bij de moeder was. De moeder had echter begin augustus de zorgregeling feitelijk opgeschort zonder een gerechtelijke procedure te starten.
De voorzieningenrechter stelde vast dat de moeder gehouden is de zorgregeling na te leven en dat zij bij meningsverschillen een verzoekschrift tot wijziging of opschorting bij de rechtbank moet indienen. De moeder had geen reconventionele vordering ingesteld en geen spoedeisend verzoek gedaan. Er waren zorgen van de moeder over de psychische gesteldheid van de vader en het gedrag van het kind na contactmomenten, maar deze waren onvoldoende onderbouwd en niet aannemelijk gemaakt.
De rechtbank oordeelde dat het belang van het kind bij contact met de vader zwaarder weegt dan de zorgen van de moeder. De moeder werd veroordeeld de zorgregeling na te komen, met uitzondering van het avondcontact wegens gebrekkige afspraken en communicatie. De weekendregeling en de ochtendzorg op maandag- en dinsdagochtend moeten wel worden nageleefd. Een gematigde dwangsom werd opgelegd om naleving af te dwingen.
Partijen werden aangespoord om in het belang van het kind de contacten rustig en ontspannen te laten verlopen en het traject Ouderschap Blijft zo spoedig mogelijk te starten. Iedere partij draagt de eigen proceskosten. Het vonnis werd op 13 september 2018 gewezen door mr. S.M. Westerhuis-Evers.
Uitkomst: Moeder wordt veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling met dwangsom, behoudens het avondcontact.