Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser]
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
nationaliteit van de vreemdeling;
Rechtbank Den Haag
Eiser werd op 28 september 2018 door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze maatregel en betoogde dat de gronden voor bewaring onvoldoende waren.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring niet noodzakelijk was voor de vaststelling van identiteit en nationaliteit, noch voor het verkrijgen van gegevens voor de beoordeling van de verblijfsvergunning, omdat deze gegevens reeds bekend waren en er geen twijfel bestond over de identiteit. Ook was er geen werkend terugkeerbesluit of lopende terugkeerprocedure, zodat de maatregel op grond van genoemde wetsartikelen niet kon worden gehandhaafd.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, oordeelde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was vanaf het moment van oplegging en beval de opheffing van de bewaring per 12 oktober 2018. Tevens werd een schadevergoeding van €1.120 toegekend voor 14 dagen onrechtmatige bewaring en de Staat veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.002.
De uitspraak werd gedaan door rechter E.J. Rutten en griffier C. Groenewegen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De maatregel van bewaring is onrechtmatig en wordt opgeheven, met toekenning van schadevergoeding en proceskosten aan eiser.