ECLI:NL:RBDHA:2018:12386
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening
Eiser, een Marokkaanse staatsburger, diende op 12 juli 2018 een asielaanvraag in Nederland in. Verweerder nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat op basis van de Dublinverordening Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling. Nederland had een verzoek tot terugname van de asielzoeker bij Slovenië ingediend, waarop Slovenië niet tijdig reageerde, wat volgens artikel 25, tweede lid, van de Dublinverordening gelijkstaat aan aanvaarding van het verzoek.
Eiser stelde dat het hier niet om terugname maar om overname ging, omdat Slovenië zijn eerdere aanvraag nooit inhoudelijk had behandeld. De rechtbank oordeelde echter dat er sprake was van terugname, omdat de eerdere aanvraag in Slovenië was ingediend en afgewezen omdat Kroatië verantwoordelijk werd geacht. Verder stelde eiser dat Slovenië niet verantwoordelijk was omdat het claimverzoek niet tijdig was afgewezen, maar de rechtbank wees dit af omdat Slovenië na de termijn van twee weken alsnog had gereageerd.
Eiser voerde ook aan dat Slovenië zijn eerdere aanvraag niet in behandeling had genomen en daarom niet verplicht zou zijn de huidige aanvraag te behandelen. De rechtbank stelde dat op grond van het fictieve claimakkoord Slovenië verplicht is de asielaanvraag te behandelen en dat er geen aanwijzingen zijn dat deze verplichting niet wordt nagekomen. Ten slotte stelde eiser dat Nederland zelf moest onderzoeken of het de aanvraag aan zich moest trekken, maar de rechtbank vond dat verweerder dit correct had beoordeeld.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen wordt ongegrond verklaard.