Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de meervoudige kamer van 10 januari 2018 in de zaken tussen
het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder
[bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] ,alle te [plaats] ,
Rechtbank Den Haag
Eisers, eigenaren van kassencomplexen te Zuidplas, vroegen omgevingsvergunningen voor tijdelijk gebruik van kassen als stalling voor caravans. Het college verleende vergunningen, maar na bezwaar van derden constateerde het college strijd met de Verordening Ruimte 2014, die gebruik van kassen voor andere functies dan glastuinbouw verbiedt. Het college vroeg ontheffing aan bij verweerder, die deze weigerde. Het college herroept vervolgens de vergunningen.
Eisers stelden beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, die de zaken doorzond naar de rechtbank Den Haag omdat deze bevoegd zou zijn. De rechtbank onderzoekt echter ambtshalve haar bevoegdheid en oordeelt dat zij niet bevoegd is omdat de beroepen niet door het college, maar door eisers zijn ingesteld.
De rechtbank overweegt dat alleen het gezag bevoegd ten aanzien van de beschikking beroep kan instellen. Ondanks het betoog van eisers blijft de rechtbank bij haar oordeel. Daarnaast veroordeelt de rechtbank verweerder in de proceskosten vanwege onjuiste rechtsmiddelenverwijzing en bepaalt dat griffierechten aan eisers worden vergoed.
De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer en is openbaar uitgesproken op 10 januari 2018. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van de beroepen en veroordeelt verweerder in de proceskosten.