ECLI:NL:RBDHA:2018:12166
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs pleegouderrelatie
Eisers, allen van Ugandese nationaliteit, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis aan, waarbij zij stelden pleegkinderen te zijn van een referent met een verblijfsvergunning asiel. Verweerder weigerde deze aanvragen omdat de pleegouderrelatie niet aannemelijk was gemaakt met documenten, zoals overlijdensaktes van de biologische ouders en voogdijverklaringen.
De rechtbank constateert dat verweerder de aanvragen heeft beoordeeld volgens de nieuwe vaste gedragslijn, waarbij eisers onvoldoende bewijs hebben geleverd. De enkele verklaring van de referent dat documenten ontbreken, is onvoldoende zonder pogingen tot het verkrijgen van indicatieve documenten. Ook de verwijzing naar verklaringen tijdens de asielprocedure en het asielrelaas overtuigt niet.
Verder is verweerder terecht niet ingegaan op het beroep op artikel 11 lid 2 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn, omdat bewijsnood niet aannemelijk is gemaakt. Toetsing aan artikel 8 EVRM Pro en artikel 3 IVRK Pro is niet aan de orde omdat de gezinsband niet is vastgesteld. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van de pleegouderrelatie.