ECLI:NL:RBDHA:2018:12156

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 oktober 2018
Publicatiedatum
10 oktober 2018
Zaaknummer
AWB 18 / 1654
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 14, eerste lid, aanhef en onder d. van de Verordening (EG) nr. 810/2009Artikel 32, onder b. van de Verordening (EG) nr. 810/2009
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst

Eiser, een Iraanse student, verzocht om een visum kort verblijf om zijn tante in Nederland te bezoeken. Dit verzoek werd afgewezen omdat verweerder twijfelde aan zijn voornemen om na afloop van het visum het Schengengebied te verlaten. De afwijzing werd gebaseerd op het ontbreken van voldoende sociale en economische binding met Iran, zoals het ontbreken van werk, eigen inkomsten, en maatschappelijke verplichtingen.

Eiser betoogde dat verweerder ten onrechte twijfelde aan zijn terugkeer en dat zijn tante en haar echtgenoot, beiden vluchteling, garant stonden voor zijn terugkeer. Ook stelde hij dat hij een bijzondere studie volgt en een sterke band met zijn ouders heeft, die niet willen dat hij illegaal in Nederland blijft.

De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht terughoudend toetste en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een zodanige sociale of economische binding met Iran heeft dat zijn tijdige terugkeer redelijkerwijs gewaarborgd is. De toezegging van de tante was onvoldoende om het risico van vestigingsgevaar weg te nemen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende sociale en economische binding met Iran.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: AWB 18/1654

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 oktober 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , eiser,
gemachtigde: mr. S.R. Kwee,
en
de Minister van Buitenlandse Zaken, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 14 februari 2018 (het bestreden besluit).
De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 20 september 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [naam 2] (referente) samen met haar echtgenoot. Verweerder is na voorafgaand bericht niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Iraanse nationaliteit. Zijn aanvraag om een visum kort verblijf voor een bezoek aan referente (zijn tante) is afgewezen bij besluit van 2 oktober 2017. Eisers bezwaar daartegen is ongegrond verklaard bij het bestreden besluit.
2. Verweerder meent dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om na het verstrijken van de geldigheidsduur van het visum het grondgebied van de lidstaten te verlaten, aangezien niet is gebleken dat eiser voldoende sociale en economische binding heeft met Iran. Eiser is jong en ongehuwd en heeft geen kinderen. Niet is gebleken dat hij de zorg draagt voor familieleden of dat andere zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen zouden dwingen tot tijdige terugkeer naar Iran. Eiser werkt niet en heeft geen eigen inkomsten. Hij kan zijn opleiding tot tv-programmeur onderbreken en later of elders voortzetten.
3. Eiser vindt dat verweerder ten onrechte vreest dat hij niet tijdig terugkeert. Hij stelt allereerst dat verweerder referente hierover had moeten horen. Zij en haar echtgenoot zijn toegelaten als vluchteling. Hierdoor kunnen zij niet naar Iran om eiser te bezoeken. Referente en haar echtgenoot garanderen dat eiser zal terugkeren na het familiebezoek. Eiser reist samen met zijn oma, aan wie wel een visum is verleend. Eiser kan niets veranderen aan de door verweerder in aanmerking genomen omstandigheden. Hij volgt een bijzondere studie en is een getalenteerde student. Hij moet nog één jaar studeren voor het diploma en kan zijn opleiding niet zomaar afbreken en elders vervolgen. Hij heeft een sterke band met zijn ouders, die evenmin willen dat hij zich illegaal in Nederland vestigt.
4. Voor de afgifte van een visum kort verblijf dient een vreemdeling informatie te verstrekken waarmee het voornemen om na afloop van de geldigheid van het visum het Schengengebied te verlaten kan worden beoordeeld. [1] Het visum moet worden geweigerd indien er redelijke twijfel bestaat over dit voornemen. [2] Bij het beoordelen van die vraag heeft verweerder beoordelingsruimte, zodat de rechtbank het bestreden besluit op dit punt terughoudend toetst.
5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling ter zitting dat verweerder een onjuiste beoordelingsmaatstaf heeft gehanteerd. Met eiser stelt de rechtbank vast dathet verweerschrift spreekt over de vraag of tijdige terugkeer is gegarandeerd. In het bestreden besluit is evenwel de vraag beoordeeld of tijdige terugkeer redelijkerwijs is gewaarborgd, zodat de rechtbank de door verweerder in aanmerking genomen feiten en omstandigheden ook in het licht van dat laatste criterium beziet.
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser een geringe sociale binding heeft met Iran, in de zin dat hij niet gebonden is aan of verantwoordelijk voor anderen. Door te stellen dat sprake is van een hechte band met zijn ouders heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat er bijzondere omstandigheden zijn in deze relatie die hem aan Iran binden. Voor wat betreft eisers economische banden met Iran heeft verweerder terecht in aanmerking genomen dat eiser niet werkt en geen eigen inkomsten heeft. Dat zijn ouders financieel in staat zijn om hem te onderhouden of te ondersteunen, betekent niet dat sprake is van een economische binding aan Iran.
7. Verweerder heeft verder niet ten onrechte geconcludeerd dat eiser enkel vanwege zijn niet afgeronde opleiding tot tv-programmeur nog niet een zodanige band heeft met Iran dat zijn tijdige terugkeer redelijkerwijs is gewaarborgd, nog daargelaten de vraag of eiser deze opleiding al dan niet met succes zal afronden.
8. Dat volgens eiser sprake is van omstandigheden waar hij niets aan kan doen, neemt niet weg dat verweerder aan die omstandigheden de conclusie kan verbinden van vestigingsgevaar. De enkele toezegging van referente dat eiser tijdig zal terugkeren, is onvoldoende om dat te weerleggen. Daargelaten dat verweerder hierbij terecht heeft overwogen dat referente heeft geweigerd om garant te staan, gaat het uiteindelijk niet om haar intenties of die van eisers ouders. Ter beoordeling ligt immers het risico dat eiser niet tijdig terugkeert. De omstandigheid dat eisers oma wel in het bezit is gesteld van een visum kort verblijf voor hetzelfde familiebezoek, dwingt niet tot een ander oordeel, nu de sociale en economische banden van eiser en zijn oma niet vergelijkbaar zijn.
9. Gelet op het voorgaande, het primaire besluit en hetgeen daartegen is aangevoerd, heeft verweerder kunnen afzien van het horen van eiser, dan wel referent op het bezwaar. Het beroep in dit verband op de uitspraak van de rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 14 december 2017 faalt dan ook.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van S.A.K. Kurvink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 oktober 2018.
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Artikel 14, eerste lid, aanhef en onder d. van de Verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijk Visumcode (Visumcode)
2.Artikel 32, onder b. van de Visumcode