ECLI:NL:RBDHA:2018:12156
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing visum kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst
Eiser, een Iraanse student, verzocht om een visum kort verblijf om zijn tante in Nederland te bezoeken. Dit verzoek werd afgewezen omdat verweerder twijfelde aan zijn voornemen om na afloop van het visum het Schengengebied te verlaten. De afwijzing werd gebaseerd op het ontbreken van voldoende sociale en economische binding met Iran, zoals het ontbreken van werk, eigen inkomsten, en maatschappelijke verplichtingen.
Eiser betoogde dat verweerder ten onrechte twijfelde aan zijn terugkeer en dat zijn tante en haar echtgenoot, beiden vluchteling, garant stonden voor zijn terugkeer. Ook stelde hij dat hij een bijzondere studie volgt en een sterke band met zijn ouders heeft, die niet willen dat hij illegaal in Nederland blijft.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht terughoudend toetste en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een zodanige sociale of economische binding met Iran heeft dat zijn tijdige terugkeer redelijkerwijs gewaarborgd is. De toezegging van de tante was onvoldoende om het risico van vestigingsgevaar weg te nemen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende sociale en economische binding met Iran.