ECLI:NL:RBDHA:2018:11872
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende gezinsleven met referent
Eiser, een Guinese nationaliteit dragende persoon, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af te wijzen. De aanvraag was gebaseerd op het gezinsleven met zijn vader, de referent, die sinds 2000 in Nederland verblijft en de Nederlandse nationaliteit bezit.
De rechtbank stelt vast dat eiser de biologische zoon is van de referent, maar dat niet is aangetoond dat hij is geboren uit een huwelijk of een daarmee gelijkgestelde relatie tussen referent en de moeder van eiser. Ook is onvoldoende gebleken dat er sprake is van een beschermenswaardig gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM Pro, omdat referent onvoldoende invulling heeft gegeven aan de relatie met eiser. Er is geen samenwoning geweest en het contact is niet aannemelijk gemaakt met ondersteunend bewijs.
De rechtbank oordeelt dat het beroep op schending van de hoorplicht niet slaagt, omdat het horen in bezwaar niet noodzakelijk was gezien de omstandigheden. Het bestreden besluit is terecht genomen op grond van artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt afgewezen wegens onvoldoende gezinsleven.