ECLI:NL:RBDHA:2018:11746
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op faciliterend visum op grond van Verblijfsrichtlijn wegens onvoldoende bewijs begeleiding
Eiseres, een Iraakse nationaliteit houdende vrouw, diende een aanvraag in voor een faciliterend visum op grond van de Verblijfsrichtlijn omdat zij haar Britse echtgenoot, een EU-burger, acht dagen in Nederland wilde vergezellen. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij haar echtgenoot daadwerkelijk zou begeleiden of zich bij hem zou voegen in Nederland.
Eiseres had een hotelreservering overgelegd als bewijs, maar deze reservering bleek geannuleerd te zijn. Nieuwe hotelreserveringen die in bezwaar werden overgelegd, werden eveneens geannuleerd. Daarnaast ontbraken concrete vliegtickets of een bevestiging van een volledige boeking, waardoor onvoldoende bewijs bestond voor het doel van de reis.
Eiseres voerde aan dat het gelijkheidsbeginsel was geschonden en dat verweerder ten onrechte een hotelreservering als voorwaarde stelde. De rechtbank oordeelde echter dat het niet ging om een formele voorwaarde, maar om het aannemelijk maken van het reisdoel. De rechtbank concludeerde dat verweerder terecht twijfelde aan het doel van de reis en dat het beroep ongegrond was.
Verder werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was en verweerder daarom van het horen mocht afzien. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het faciliterend visum wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van begeleiding van de EU-burger.