De rechtbank Den Haag behandelde op 2 oktober 2018 het verzoek tot faillietverklaring van Kwekerij Z B.V., ingediend door verzoeker. Partijen hadden een pachtovereenkomst gesloten en er was discussie over een mondelinge afspraak omtrent de verdeling van netto verkoopopbrengsten van geteelde producten. Verzoeker stelde dat een bedrag van €42.500,00 was overeengekomen, gebaseerd op e-mailcorrespondentie tussen adviseurs en bestuurders.
Verweerster betwistte de vordering en stelde dat er geen bindende overeenkomst was, en voerde subsidiair wilsgebreken aan zoals misbruik van omstandigheden en bedreiging. Tevens stelde zij dat het geschil niet in een faillissementsprocedure thuishoorde maar in een bodemprocedure. De rechtbank oordeelde dat het verzoek tot faillietverklaring alleen kan worden toegewezen indien summierlijk blijkt dat de schuldenaar is opgehouden te betalen en dat er meerdere schuldeisers zijn.
De rechtbank vond dat de gestelde vordering niet summierlijk was gebleken vanwege de onduidelijke en voor meerdere uitleg vatbare e-mailcorrespondentie, die bovendien niet direct tussen partijen was gevoerd. Daarom is de vordering niet geschikt voor een faillissementsprocedure maar dient zij in een bodemprocedure te worden behandeld. Misbruik van bevoegdheid werd niet vastgesteld. De proceskosten werden ieder voor eigen rekening gelaten.