Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2018 in de zaken tussen
[naam] , eiser 1,
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
ProcesverloopEisers hebben beroep ingesteld tegen de twee afzonderlijke besluiten van verweerder van 5 februari 2018 (de bestreden besluiten).
Overwegingen
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de politieke activiteiten die eisers in Venezuela hebben verricht te marginaal zijn om te concluderen dat zij daarom een gegronde vrees voor vervolging hebben. Daarbij acht verweerder van belang dat zij zonder problemen nog enkele maanden in Venezuela zijn blijven wonen en legaal zijn uitgereisd. Ten aanzien van de homoseksuele gerichtheid van eisers heeft verweerder overwogen dat homoseksualiteit in Venezuela niet strafbaar is en dat er organisaties zijn die opkomen voor homoseksuelen. Verder zijn eisers weliswaar gepest en getreiterd, maar zij hebben zonder problemen kunnen samenwonen, studeren en werken. Ook hadden zij toegang tot de gezondheidszorg en hebben familie en vrienden hen geaccepteerd als homoseksuelen. Gelet hierop en op informatie uit algemene bronnen concludeert verweerder dat eisers ook vanwege hun homoseksuele gerichtheid geen gegronde vrees voor vervolging hebben.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Eisers hebben verder aangevoerd dat verweerder niet heeft onderkend dat zij zich in Venezuela altijd terughoudend hebben opgesteld met betrekking tot hun homoseksuele gerichtheid. Bij terugkeer mag dit niet van hen verlangd worden. De rechtbank stelt vast dat eisers dit reeds tijdens hun gehoren naar voren hebben gebracht, maar dat dit onvoldoende is meegewogen in de besluitvorming.
Tot slot stelt de rechtbank vast dat verweerder in de bestreden besluiten verwijst naar informatie over de positie van homoseksuelen in Venezuela uit 2005 en 2006. De internetpagina waarnaar verweerder zowel in de bestreden besluiten als in het verweerschrift verwijst, blijkt niet toegankelijk te zijn zodat ook niet is gebleken dat dit een recente, gezaghebbende bron is. Eisers hebben zowel bij zienswijze als bij de gronden van beroep recente landeninformatie overgelegd en verweerder heeft deze informatie onvoldoende bij de besluitvorming betrokken.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder de bestreden besluiten op het punt van de vrees voor vervolging vanwege seksuele gerichtheid onvoldoende zijn gemotiveerd en onzorgvuldig zijn voorbereid.
In het verweerschrift heeft verweerder zich, onder verwijzing naar paragraaf A3/7.3.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000, op het standpunt gesteld dat de ingangsdatum bepaald had moeten worden op 13 maart 2017. Dit is de datum waarop eisers hun aanvraag compleet hebben gemaakt, omdat op die datum de laatste medische stukken zijn overgelegd.
Eisers hebben in beroep echter betoogd dat de ingangsdatum de datum van hun asielaanvraag, te weten 1 december 2016, behoort te zijn. Ter zitting hebben zij dat als volgt nader toegelicht. De medische situatie van eisers verzet zich tegen uitzetting, omdat dat in strijd zou zijn met artikel 3 van Pro het EVRM. [2] Eerder zou dat geleid hebben tot een asielvergunning, die dan verleend zou zijn met ingang van de datum van de asielaanvraag. Sinds het arrest M’Bodj van het Hof van Justitie van de Europese Unie [3] kunnen medische omstandigheden echter niet meer leiden tot een asielvergunning. Zoals de Afdeling [4] heeft toegelicht in haar uitspraak van 30 juni 2017 [5] kan de vraag of de medische toestand van een vreemdeling leidt tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM slechts aan de orde komen bij de (ambtshalve) toets of uitzetting op grond van artikel 64 van Pro de Vw achterwege moet blijven. De ingangsdatum van het uitstel van vertrek dient volgens eisers dan ook de datum van de asielaanvraag te zijn, omdat dit nieuwe beoordelingskader anders nadeliger is voor de vreemdeling dan het oude.
Beslissing
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- draagt verweerder op nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.002 (duizendtwee euro).