ECLI:NL:RBDHA:2018:11519
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening Duitsland
Eiser, een Jemenitische nationaliteit dragende vreemdeling, diende op 28 februari 2018 een asielaanvraag in Nederland in. Op basis van zijn vingerafdrukken bleek dat hij eerder een Schengenvisum van Duitsland had ontvangen, waarna Duitsland werd gevraagd hem over te nemen volgens artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening. Duitsland stemde hiermee in, waarna de Nederlandse staatssecretaris besloot de aanvraag niet in behandeling te nemen.
Eiser voerde aan dat het visum namens Nederland was afgegeven op grond van een vertegenwoordigingsregeling, en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kon gelden vanwege zijn familiebanden met Nederland en zijn diploma’s. De rechtbank oordeelde dat het visum geen vermelding had die duidde op afgifte namens Nederland en dat Duitsland terecht verantwoordelijk werd geacht. Ook faalde eiser in het aannemelijk maken van tekortkomingen in de Duitse asielprocedure.
De rechtbank concludeerde dat de staatssecretaris terecht oordeelde dat Duitsland verantwoordelijk was en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om de aanvraag zelf te behandelen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard.