ECLI:NL:RBDHA:2018:11351
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis Eritrea wegens onvoldoende identiteitsbewijs
Eiser, met de Eritrese nationaliteit, vroeg een machtiging tot voorlopig verblijf aan in het kader van nareis asiel. De aanvraag werd afgewezen omdat eiser zijn identiteit niet aannemelijk had gemaakt met officiële documenten en ook de gestelde familierechtelijke relatie onvoldoende was onderbouwd. Eiser overhandigde onofficiële documenten, waaronder een kerkelijke huwelijksakte en een asieldocument van de Oegandese overheid, die door verweerder niet als voldoende bewijs werden erkend.
Eiser voerde aan dat hij bewijsnood had omdat hij zich niet tot de Eritrese autoriteiten kon wenden en verwees naar relevante jurisprudentie en richtlijnen. Verweerder hanteert sinds 1 januari 2018 een nieuw beleid waarbij officiële documenten primair worden geëist en onofficiële documenten slechts aanleiding kunnen zijn voor aanvullend onderzoek, mits substantieel bewijs wordt geleverd.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij nooit in het bezit is geweest van een identiteitskaart, mede gelet op het ambtsbericht dat Eritreeërs ouder dan 18 jaar verplicht zijn een identiteitskaart te hebben. De overgelegde onofficiële documenten waren onvoldoende om de identiteit vast te stellen. De rechtbank vond dat verweerder terecht het beroep ongegrond had verklaard en dat de hoorplicht niet was geschonden.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis Eritrea is ongegrond verklaard wegens onvoldoende aannemelijk gemaakte identiteit.