Uitspraak
wonende te [postcode woonplaats en adres],
schuldenares, advocaat: mr. R. Verspaandonk.
1.Verloop van de procedure
- de bewindvoerder;
- mevrouw [X] de beschermingsbewindvoerder van schuldenares.
Rechtbank Den Haag
Bij vonnis van 6 november 2017 werd aan schuldenares een schuldsaneringsregeling opgelegd met benoeming van een rechter-commissaris en bewindvoerder. De rechter-commissaris deed op 14 juni 2018 een voordracht tot voortijdige beëindiging van de regeling op grond van niet-nakoming van de sollicitatieverplichting en een onjuiste schuldenlijst (285-verklaring) vanwege een hogere schuld aan de Belastingdienst dan opgegeven.
De rechtbank stelde vast dat de 285-verklaring onjuist was omdat de schuld aan de Belastingdienst wegens terugvordering kinderopvangtoeslag hoger was dan bij toelating vermeld. De beschermingsbewindvoerder had de verklaring ondertekend, maar was niet op de hoogte van de werkelijke schuld vanwege lopend bezwaar bij de Belastingdienst. Schuldenares was onder bewind gesteld wegens haar verstandelijke toestand.
De rechtbank oordeelde dat de schuld niet te goeder trouw was ontstaan en dat schuldenares niet bewust de ontvangen bedragen voor andere doeleinden had aangewend. Ook was de aanvullende sollicitatieverplichting inmiddels nagekomen. Daarom was geen grond voor tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling op grond van artikel 350 lid 3 sub c of Pro sub f Faillissementswet.
De rechtbank wees het verzoek tot tussentijdse beëindiging af en bevestigde daarmee de voortzetting van de schuldsaneringsregeling.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling af.