ECLI:NL:RBDHA:2018:11204
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag Cubaanse homoseksuele vreemdeling wegens onvoldoende zwaarwegend asielrelaas
Eiser, een Cubaanse homoseksuele man, verzocht om een verblijfsvergunning asiel op grond van vervolging vanwege zijn seksuele geaardheid. Hij stelde dat hij in Cuba werd gediscrimineerd, mishandeld door de politie en beboet vanwege zijn geaardheid. De staatssecretaris wees de aanvraag af wegens onvoldoende zwaarwegendheid van het asielrelaas.
De rechtbank achtte het relaas van eiser geloofwaardig maar concludeerde dat de ervaren problemen niet zodanig ernstig waren dat zij voldeden aan de criteria van het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 EVRM Pro. Hoewel discriminatie en incidenten plaatsvonden, was er geen sprake van stelselmatige vervolging of een onhoudbare situatie. Eiser had bovendien niet aangetoond dat hij geen bescherming kon zoeken bij de autoriteiten.
De rechtbank overwoog dat homoseksualiteit in Cuba niet strafbaar is en dat er geen aanwijzingen waren voor ernstige gewelds- of discriminatiemaatregelen door de overheid. Eiser kon openlijk uitkomen voor zijn geaardheid, had sociale steun, werk en medische zorg. De enkele mishandeling en boetes waren onvoldoende onderbouwd als vervolging vanwege seksuele geaardheid.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de aanvraag afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de asielaanvraag wordt afgewezen wegens onvoldoende zwaarwegend asielrelaas.