ECLI:NL:RBDHA:2018:11085
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing van aanvraag verblijfsvergunning niet-tijdelijke humanitaire gronden na intrekking verblijfsvergunning
Eiseres, met Surinaamse nationaliteit, verbleef sinds 2013 rechtmatig in Nederland op basis van haar relatie met een partner. Na het verbreken van deze relatie in 2016 trok de Staatssecretaris haar verblijfsvergunning in en wees een aanvraag tot wijziging naar niet-tijdelijke humanitaire gronden af. Het bezwaar van eiseres werd eveneens ongegrond verklaard, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank.
De rechtbank stelde vast dat de intrekking van de verblijfsvergunning niet ter discussie stond en dat er geen bewijs was voor huiselijk geweld zoals vereist. De kern van het geschil betrof de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro, waarbij de rechter toetst of een faire balans is gevonden tussen het belang van eiseres en het Nederlandse toelatingsbeleid.
De rechtbank oordeelde dat de Staatssecretaris alle relevante feiten en omstandigheden heeft meegewogen en voldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Daarbij speelde mee dat eiseres en haar kinderen sinds 2013 in Nederland verblijven, maar ook dat zij in Suriname bekend zijn met taal en cultuur en dat er geen onredelijke terugkeer verwacht kan worden.
Hoewel eiseres psychische klachten en bezwaren tegen de kwaliteit van onderwijs in Suriname aanvoerde, vond de rechtbank deze onvoldoende om de belangenafweging te doorbreken. Ook het ontbreken van een hoorzitting in bezwaar werd niet onrechtmatig geacht omdat het bezwaar geen nieuwe inzichten bood die het besluit konden wijzigen.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door rechter M. Soffers op 26 juli 2018.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag tot wijziging van verblijfsvergunning is ongegrond verklaard.