ECLI:NL:RBDHA:2018:10871
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag duurzaam verblijfsrecht burgers van de Unie wegens onvoldoende bewijs verblijf echtgenote
Eiser, geboren in 1973 en van Indiase nationaliteit, heeft als echtgenoot van een Duitse gemeenschapsonderdaan een aanvraag ingediend voor een document duurzaam verblijf burgers van de Unie. Deze aanvraag werd op 1 mei 2017 afgewezen omdat eiser niet aannemelijk kon maken dat zijn echtgenote gedurende vijf jaar onafgebroken en rechtmatig in Nederland verbleef.
De rechtbank constateert dat eiser erkent dat zijn echtgenote niet was ingeschreven in de Basisregistratie Personen tussen 6 september 2013 en 16 september 2015, maar stelt dat zij feitelijk wel in Nederland verbleef. Eiser heeft echter geen bewijsstukken overgelegd die dit verblijf ondersteunen, ondanks de mogelijkheid daartoe tijdens de bezwaarprocedure.
De rechtbank oordeelt dat de bewijslast bij eiser ligt om het rechtmatig verblijf aan te tonen conform artikel 8.17 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Door het ontbreken van bewijs en het niet betwisten van de uitschrijving in de BRP, is de afwijzing van de aanvraag terecht. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs van onafgebroken verblijf van de echtgenote in Nederland.