ECLI:NL:RBDHA:2018:10867
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond wegens ontbreken rechtmatig verblijf ondanks beroep op artikel 8 EVRM
Eiser, een Belgische staatsburger, ontving een bijstandsuitkering en werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geconfronteerd met een besluit dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank en beriep zich uitsluitend op artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is omdat het enkele beroep op artikel 8 EVRM Pro niet kan leiden tot het verkrijgen van een verblijfsdocument zoals bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verwees naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die dit bevestigt. Eiser had al een aanvraag ingediend om zijn verblijf op grond van artikel 8 EVRM Pro te laten beoordelen.
De rechtbank wees het beroep af en kende geen proceskosten toe. De uitspraak werd gedaan door rechter E.S.G. Jongeneel en griffier M.D. Gunster op 10 september 2018. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat artikel 8 EVRM geen recht geeft op verblijfspapieren zonder bewijs van rechtmatig verblijf.