ECLI:NL:RBDHA:2018:10867

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 september 2018
Publicatiedatum
10 september 2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1196
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:12 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 9 Vreemdelingenwet 2000Participatiewet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens ontbreken rechtmatig verblijf ondanks beroep op artikel 8 EVRM

Eiser, een Belgische staatsburger, ontving een bijstandsuitkering en werd door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geconfronteerd met een besluit dat hij geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000. Dit besluit werd bevestigd na bezwaar. Eiser stelde beroep in bij de rechtbank en beriep zich uitsluitend op artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).

De rechtbank oordeelde dat het beroep ongegrond is omdat het enkele beroep op artikel 8 EVRM Pro niet kan leiden tot het verkrijgen van een verblijfsdocument zoals bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank verwees naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die dit bevestigt. Eiser had al een aanvraag ingediend om zijn verblijf op grond van artikel 8 EVRM Pro te laten beoordelen.

De rechtbank wees het beroep af en kende geen proceskosten toe. De uitspraak werd gedaan door rechter E.S.G. Jongeneel en griffier M.D. Gunster op 10 september 2018. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat artikel 8 EVRM geen recht geeft op verblijfspapieren zonder bewijs van rechtmatig verblijf.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 18/1196

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 september 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. R.S. Sewdajal),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2017 heeft verweerder vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf (meer) toekomt op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).
Bij besluit van 30 januari 2018 is het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard (bestreden besluit).
Op 20 februari 2018 heeft eiser tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door mr. R.G. Jagesar, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Namens verweerder is niemand verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van het beroep uit van de volgende feiten. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1970 en heeft de Belgische nationaliteit. Eiser ontvangt vanaf 15 december 2016 een bijstandsuitkering van de gemeente Zoetermeer op grond van de Participatiewet. Omdat er twijfel is ontstaan over de rechtmatigheid van het verblijf van eiser, heeft verweerder eiser bij brief van 27 maart 2017 verzocht hierover nadere informatie te verschaffen. Eiser heeft hierop op 13 april 2017 gereageerd.
2. Verweerder heeft in het bestreden besluit vastgesteld – samengevat weergegeven – dat eiser niet rechtmatig als gemeenschapsonderdaan in Nederland verblijft op grond van artikel 8.12 van het Vb 2000, omdat niet is gebleken dat eiser in Nederland arbeid als werknemer of zelfstandige heeft gehad en/of kan bewijzen dat hij werk zoekt en een reële kans op werk heeft. Evenmin is aangetoond dat eiser als economische niet-actieve gemeenschapsonderdaan moet worden aangemerkt. Eiser heeft immers een uitkering aangevraagd. Gelet hierop heeft verweerder geconcludeerd dat eiser niet heeft aangetoond te beschikken over voldoende en duurzame middelen van bestaan.
3. Eiser voert aan in de gronden van beroep enkel aan dat het besluit in strijd is met artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
4. De rechtbank overweegt als volgt.
De rechtbank stelt vast dat eiser zich in de gronden van beroep enkel en alleen op artikel 8 van Pro het EVRM heeft beroepen. Het beroep op artikel 8 van Pro het EVRM kan echter niet tot de conclusie leiden dat het bestreden besluit onjuist of onvolledig is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juni 2012, ECLI:NL:RVS:BX0615) kan een geslaagd beroep op artikel 8 van Pro het EVRM namelijk nooit leiden tot de afgifte van een document als bedoeld in artikel 9 van Pro de Vw 2000 (blijk van rechtmatig verblijf). Indien eiser zijn aanspraak op verblijf op grond van artikel 8 van Pro het EVRM beoordeeld wenst te zien, kan hij een daartoe strekkende aanvraag indienen, hetgeen hij overigens al gedaan heeft.
5. Gelet op het vorenstaande is het beroep ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. M.D. Gunster, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 september 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.