ECLI:NL:RBDHA:2018:10748

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 januari 2018
Publicatiedatum
6 september 2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3779
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8 EVRMVreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wijziging verblijfsvergunning afgewezen

Eiseres, met de Marokkaanse nationaliteit, diende op 20 mei 2016 een aanvraag in tot wijziging van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De staatssecretaris wees deze aanvraag bij besluit van 1 juli 2016 af. Eiseres maakte bezwaar, maar diende de gronden van het bezwaar niet binnen de gestelde termijnen in, ondanks meerdere aanmaningen. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar daarom niet-ontvankelijk.

Eiseres voerde aan dat vanwege de verwevenheid van haar zaak met die van haar echtgenoot, aan wie een verblijfsvergunning was ingetrokken en tegen wie beroep was ingesteld, een langere termijn had moeten worden gegund of het bezwaar had moeten worden aangehouden. Tevens beriep zij zich op artikel 8 EVRM Pro vanwege haar verblijf bij haar pasgeboren kind en echtgenoot.

De rechtbank oordeelde dat eiseres voldoende gelegenheid had gekregen om de gronden van haar bezwaar in te dienen, maar hiervan geen gebruik heeft gemaakt. De niet-ontvankelijkverklaring was daarom terecht. De overige beroepsgronden waren niet relevant voor het oordeel over ontvankelijkheid. Het beroep werd ongegrond verklaard. Partijen spraken af dat eiseres een nieuwe aanvraag zal indienen waarbij de verwevenheid met de zaak van haar echtgenoot kan worden meegenomen.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens te late indiening van de bezwaarschriftgronden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/3779

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. F.A. Broersma),
en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.S.M. Rietveld).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot wijziging van de aan haar verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd in de zin van artikel 14 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) afgewezen.
Bij besluit van 30 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2017.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is A. Ouazizi als tolk ter zitting verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1981 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Op 20 mei 2016 heeft eiseres de onderhavige aanvraag ingediend.
2. Op 28 juli 2016 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Bij brief van 10 augustus 2016 is eiseres in de gelegenheid gesteld om de gronden van het bezwaar binnen twee weken na de datum van deze brief in te dienen. Bij brief van 24 augustus 2016 heeft eiseres verzocht om de beslissing op het bezwaar aan te houden in verband met de beslissing omtrent het verblijfsrecht van degene bij wie zij verblijf beoogt, te weten haar echtgenoot. Bij brief van 20 december 2016 is eiseres in de gelegenheid gesteld om binnen een termijn van twee weken na datum van deze brief de gronden van het bezwaar in te dienen. Eiseres heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de termijn voor het indienen van de gronden van het bezwaar is verstreken, zonder dat de gronden zijn ingediend. Daarom heeft verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, in samenhang met artikel 6:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4. Eiseres voert aan dat, gelet op de verknochtheid van haar zaak met die van haar echtgenoot, verweerder aan haar een langere termijn had moeten gunnen voor het indienen van gronden dan wel de beslissing op bezwaar had moeten aanhouden en, naar gelang de uitkomst van de procedure van haar echtgenoot, eiseres had moeten verzoeken de gronden aan te vullen. Eiseres wenst verblijf bij haar pas geboren kind en echtgenoot en doet een beroep op artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). De echtgenoot van eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit waarbij de aan hem verleende verblijfsvergunning asiel is ingetrokken en mag het beroep hier te lande afwachten. Gelet op de leeftijd van het kind van eiseres en de gezondheid van eiseres is thans een vertrek naar het buitenland onrechtmatig. Eiseres is verzekerd tegen ziektekosten en haar echtgenoot kan in de kosten van het levensonderhoud van het gezin voorzien, zodat een beroep op de algemene middelen niet nodig is.
5. De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren.
6. Ingevolge artikel 6:5 van Pro de Awb bevat een bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar. Het bezwaar kan op grond van artikel 6:6 van Pro de Awb niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van Pro de Awb of aan enig bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
7. De rechtbank overweegt dat eiseres als laatste bij brief van 20 december 2016 door verweerder in de gelegenheid is gesteld de gronden van het bezwaar in te dienen binnen twee weken vanaf die datum. Eiseres heeft dan ook de gelegenheid gehad om het verzuim te herstellen, maar zij heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Nu eiseres geen gronden van bezwaar heeft ingediend, is de rechtbank van oordeel dat verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk heeft kunnen verklaren.
8. De overige beroepsgronden kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel leiden, omdat deze niet zien op het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar.
9. Ter zitting hebben partijen met elkaar besproken dat eiseres een nieuwe aanvraag zal indienen en dat in die procedure wordt bekeken of de zaak van eiseres en die van haar echtgenoot gelijk op kunnen lopen, gelet op de verwevenheid van de zaken en de afhankelijkheid van eiseres van haar echtgenoot.
10. Het beroep is ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.