ECLI:NL:RBDHA:2018:10748
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wijziging verblijfsvergunning afgewezen
Eiseres, met de Marokkaanse nationaliteit, diende op 20 mei 2016 een aanvraag in tot wijziging van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De staatssecretaris wees deze aanvraag bij besluit van 1 juli 2016 af. Eiseres maakte bezwaar, maar diende de gronden van het bezwaar niet binnen de gestelde termijnen in, ondanks meerdere aanmaningen. De staatssecretaris verklaarde het bezwaar daarom niet-ontvankelijk.
Eiseres voerde aan dat vanwege de verwevenheid van haar zaak met die van haar echtgenoot, aan wie een verblijfsvergunning was ingetrokken en tegen wie beroep was ingesteld, een langere termijn had moeten worden gegund of het bezwaar had moeten worden aangehouden. Tevens beriep zij zich op artikel 8 EVRM Pro vanwege haar verblijf bij haar pasgeboren kind en echtgenoot.
De rechtbank oordeelde dat eiseres voldoende gelegenheid had gekregen om de gronden van haar bezwaar in te dienen, maar hiervan geen gebruik heeft gemaakt. De niet-ontvankelijkverklaring was daarom terecht. De overige beroepsgronden waren niet relevant voor het oordeel over ontvankelijkheid. Het beroep werd ongegrond verklaard. Partijen spraken af dat eiseres een nieuwe aanvraag zal indienen waarbij de verwevenheid met de zaak van haar echtgenoot kan worden meegenomen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens te late indiening van de bezwaarschriftgronden.