ECLI:NL:RBDHA:2018:10719

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 september 2018
Publicatiedatum
6 september 2018
Zaaknummer
17/11717
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:55 AwbArt. 6:4 AwbArt. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 6:7 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzet wegens termijnoverschrijding bij bestuursrechtelijke uitspraak

Opposante heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank heeft dit beroep bij buiten-zittinguitspraak van 22 september 2017 niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van het beroep.

Tegen deze uitspraak heeft opposante verzet ingesteld. De rechtbank heeft onderzocht of het verzetschrift tijdig was ingediend, waarbij de termijn zes weken bedraagt vanaf de dag na verzending van de uitspraak. Hoewel het verzetschrift binnen een week na het verstrijken van de termijn is ontvangen, was onduidelijk of het ook tijdig ter post was bezorgd.

De rechtbank oordeelde dat bij ontbreken van een poststempel het verzetschrift binnen twee werkdagen na het einde van de termijn ontvangen moet zijn om als tijdig te gelden. Omdat het verzetschrift later werd ontvangen, kon niet worden aangenomen dat het tijdig was verzonden. Daarom werd het verzet niet-ontvankelijk verklaard, en de inhoudelijke behandeling van het verzet bleef achterwege.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De rechtbank benadrukte dat de termijn duidelijk in de rechtsmiddelenclausule en begeleidende brief was vermeld. Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het verzet wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de termijn voor het indienen van het verzetschrift.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 17/11717 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 september 2018 op het verzet van

[opposante] , opposante,

(gemachtigde: J.O.P. Gonesh),
tegen de uitspraak van de rechtbank in haar zaak tegen
de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Opposante heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit van verweerder op haar aanvraag van 1 augustus 2014.
Bij uitspraak van 22 september 2017 (de buiten-zittinguitspraak) heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Opposante heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
Opposante heeft verzocht om op zitting te worden gehoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2018.
Opposante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Tegen een buiten-zittinguitspraak kan door partijen op grond van artikel 8:55 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verzet worden gedaan. Op grond van artikel 8:55, tweede lid, van de Awb zijn de artikelen 6:4, derde lid, 6:5 tot en met 6:9, 6:11, 6:14, 6:15, 6:17 en 6:21 van de Awb van overeenkomstige toepassing.
2. Voor het indienen van een verzetschrift geldt een termijn van zes weken. Op grond van artikel 6:8 van Pro de Awb begint deze termijn op de dag nadat de uitspraak is toegezonden. Een verzetschrift is tijdig ingediend wanneer het voor het einde van de termijn door de rechtbank is ontvangen. Als het verzetschrift per post wordt verstuurd, is het ook tijdig ingediend wanneer het voor afloop van de termijn op de post is gedaan en door de rechtbank is ontvangen binnen een week na afloop van de termijn. Dit volgt uit artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb. Indien een verzetschrift niet tijdig is ingediend, dient de rechtbank het verzet niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is.
4. Vast staat dat de uitspraak op 22 september 2017 is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een verzetschrift eindigde op 3 november 2017. Het verzetschrift is op 9 november 2017 ontvangen door de rechtbank. Het verzetschrift is derhalve binnen een week na het verstrijken van de termijn ontvangen. In geschil is alleen de vraag of het verzetschrift binnen de termijn ter post is bezorgd.
5. Opposante stelt het verzetschrift op 30 oktober 2017 ter post te hebben aangeboden en dat de omstandigheid dat de postbezorging heeft nagelaten een poststempel te plaatsen niet voor haar risico komt.
6. De rechtbank overweegt dat in gevallen waarin een poststempel ontbreekt, wordt aangenomen dat een verzetschrift tijdig ter post is bezorgd als deze niet later dan twee werkdagen na het einde van de termijn wordt ontvangen, tenzij op grond van vaststaande feiten aannemelijk is dat het later dan de laatste dag van de termijn ter post is bezorgd. Zie ter vergelijking de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1552. Omdat de rechtbank het verzetschrift meer dan twee werkdagen na 3 november 2017 heeft ontvangen, kan niet worden aangenomen dat het tijdig ter post is bezorgd.
Het feit dat de rechtbank bij brief van 9 november 2017 de ontvangst van het verzetschrift heeft bevestigd, maakt niet dat de rechtbank niet later - in dit geval bij brief van
27 november 2018 - de datum van ontvangst van het verzetschrift kan aankaarten. Verder wijst de rechtbank erop dat in de rechtsmiddelenclausule onderaan de uitspraak van
22 september 2017 stond vermeld dat binnen zes weken na verzending daarvan verzet kon worden ingesteld. In de begeleidende brief bij de uitspraak is verwezen naar deze rechtsmiddelenclausule. Uit de begeleidende brief blijkt tevens wanneer de uitspraak is verzonden en dus ook wanneer de zes weken termijn een aanvang heeft genomen. Dat de termijn om in verzet te gaan tevens in de begeleidende brief vermeld had moeten worden, volgt de rechtbank niet.
7. Het verzet is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dit betekent dat het verzet niet inhoudelijk wordt behandeld en aan de achterliggende problematiek derhalve niet wordt toegekomen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 september 2018.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.