ECLI:NL:RBDHA:2018:10462
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf nareis Eritrese pleegkinderen
Eisers, drie Eritrese pleegkinderen, vroegen om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland in het kader van nareis, aangevraagd door hun pleegvader die in Nederland verblijft met een asielvergunning. De aanvraag werd door de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie afgewezen omdat de familierelaties niet voldoende waren aangetoond en essentiële toestemmingsverklaringen van achterblijvende ouders ontbraken.
Eisers voerden aan dat het onmogelijk was om de gevraagde documenten te overleggen vanwege het ontbreken van connecties in Eritrea en de moeilijke omstandigheden van familieleden daar. Ook wezen zij erop dat doopakten die de familierelatie zouden bevestigen niet in het besluit waren meegenomen. Daarnaast stelden zij dat zij niet zijn gehoord in het bezwaarproces.
De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van toestemmingsverklaringen en overlijdensbewijzen niet was onderbouwd met verschoonbare redenen. De stelling dat de moeder van een van de eisers niet voor zichzelf kon zorgen werd niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank vond dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis is ongegrond verklaard.