ECLI:NL:RBDHA:2018:10340
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging verblijfsrecht EU-onderdaan wegens onvoldoende bestaansmiddelen
De zaak betreft de beëindiging van het verblijfsrecht van eiseres, een EU-onderdaan, door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Het besluit tot beëindiging is genomen omdat eiseres niet langer voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf, met name het ontbreken van voldoende middelen van bestaan sinds 1 januari 2015.
Eiseres voerde aan dat zij inkomsten uit arbeid had en intensief naar werk zocht, en dat zij vanwege ziekte tijdelijk niet kon werken. Ook stelde zij dat haar neef haar financieel ondersteunde. De rechtbank oordeelde dat de overgelegde loonstrook en het arbeidscontract onvoldoende bewijs boden voor reële en daadwerkelijke arbeid volgens de normen van het Vreemdelingenbesluit. De financiële steun van de neef was niet aantoonbaar met bewijsstukken.
Verder concludeerde de rechtbank dat eiseres sinds september 2014 een uitkering ontving en niet had aangetoond dat deze was beëindigd op het moment van het besluit. De medische stukken boden geen voldoende bewijs van arbeidsongeschiktheid. De rechtbank bevestigde dat het verblijfsrecht van rechtswege eindigde per 1 januari 2015 en dat geen sprake was van intrekking met terugwerkende kracht.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van het verblijfsrecht per 1 januari 2015 wordt ongegrond verklaard.