ECLI:NL:RBDHA:2018:10339
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen intrekking verblijfsvergunning na beëindiging huwelijk en afwijzing niet-tijdelijke humanitaire gronden
Eiseres had een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd onder de beperking verblijf als familie- of gezinslid bij haar ex-echtgenoot. Na het verbreken van de relatie en de echtscheiding heeft de staatssecretaris deze vergunning met terugwerkende kracht ingetrokken per 7 september 2015, de datum waarop de feitelijke samenwoning eindigde.
Eiseres voerde aan dat de intrekking niet met terugwerkende kracht had mogen plaatsvinden en dat zij recht had op een verblijfsvergunning onder niet-tijdelijke humanitaire gronden, mede gelet op haar inburgering, eigen inkomen en de omstandigheden met haar ex-schoonfamilie. Tevens stelde zij dat het besluit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat de intrekking terecht was omdat niet langer aan de samenwoningseis werd voldaan vanaf 7 september 2015. De aanvraag voor een verblijfsvergunning onder niet-tijdelijke humanitaire gronden werd afgewezen omdat niet aan de vereiste vijfjarige verblijfsduur was voldaan. De belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro leidde niet tot een ander oordeel, nu het huwelijk was verbroken en er geen bijzondere binding met Nederland was vastgesteld.
De rechtbank concludeerde dat de door eiseres aangevoerde omstandigheden onvoldoende waren om van het beleid af te wijken en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de intrekking van haar verblijfsvergunning en de afwijzing van de aanvraag niet-tijdelijke humanitaire gronden is ongegrond verklaard.