ECLI:NL:RBDHA:2018:10165
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- T. Sleeswijk Visser-de Boer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf in kader nareis pleegkind Eritrea
Eiseres, een Eritrese minderjarige, verzocht via haar referent om een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis asiel. De aanvraag werd afgewezen omdat niet was aangetoond dat eiseres feitelijk tot het gezin van de referent behoorde. De biologische moeder oefende het gezag uit en er waren geen documenten die het pleegouderschap onderbouwden.
De rechtbank stelde vast dat referent en eiseres tot het vertrek uit Eritrea bij de moeder woonden en dat de moeder niet was aangetoond ziek te zijn. Ook ontbrak een toestemmingsverklaring van de biologische moeder. De stellingen van eiseres en referent over de gezondheid van de moeder werden niet als voldoende bewijs aanvaard.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht het bezwaar ongegrond had verklaard en dat het horen in bezwaar kon worden achterwege gelaten vanwege kennelijke ongegrondheid. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf voor nareis is ongegrond verklaard.