ECLI:NL:RBDHA:2018:10156
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing opvolgende asielaanvragen Iraakse vrouwen uit Noord-Irak wegens onvoldoende risico op schending EVRM
Eiseressen, twee jonge Iraakse vrouwen geboren in 1998 en 1999, hebben opvolgende asielaanvragen ingediend die door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid zijn afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank heeft deze beroepen behandeld en geconcludeerd dat eiseressen afkomstig zijn uit Noord-Irak en niet uit Mosul, zoals zij stelden, waarbij getuigenverklaringen onvoldoende bewijs boden om dit te weerleggen.
De rechtbank oordeelde verder dat eiseressen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij als vrouwen bij terugkeer naar Noord-Irak een reëel risico lopen op ernstige schendingen van artikel 3 van Pro het EVRM. Hoewel vrouwen in Irak maatschappelijke en juridische beperkingen ondervinden, is de situatie niet zodanig dat iedere vrouw een reëel risico loopt, en eiseressen hebben geen persoonlijke omstandigheden aangevoerd die dit risico verhogen.
Daarnaast is geoordeeld dat de staatssecretaris niet verplicht was ambtshalve te toetsen aan artikel 8 EVRM Pro, omdat het hier opvolgende aanvragen betreft. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond en wees de aanvragen af. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank wijst de opvolgende asielaanvragen af wegens onvoldoende bewijs van herkomst uit Mosul en onvoldoende aannemelijk gemaakt risico op schending van artikel 3 EVRM.